Ervaringen

Groeiprocessen

Irma Schoe – verpleegkundige

‘Ik werk bijna twee jaar in het hospice; daarvoor altijd in het ziekenhuis. Ik heb een tweejarige cursus stervensbegeleiding gedaan in Utrecht bij het Nederlands Instituut voor Stervensbegeleiding. Dat leverde geen erkend diploma op maar wel accreditatiepunten. Ze werken daar vanuit het boeddhisme. De opleiding houdt zich bezig met de volgende vragen: Wat zou je doen als je nog een half jaar te leven hebt? Wat gebeurt er met je bewustzijn na je dood? Rouwprocessen, hoe ga je daarmee om? Verder heb ik uit de opleiding geleerd, dat je niet je eigen emoties hoort te projecteren op de stervende. Ook is het belangrijk dat je alle ballast van de vorige gast naast je neerlegt, voordat je een volgende gast tegemoet treedt. De kunst is om je aan te sluiten op het energieniveau van de stervende.’

’In dit werk moet je de kalmte in jezelf zoeken. Mensen die sterven zijn heel fijngevoelig; de maskers vallen weg en daardoor moet je er echt zijn voor mensen. Veel mensen ervaren rust bij ons en kunnen komen tot acceptatie om het leven los te laten, zodat ze uiteindelijk in alle rust kunnen overlijden. Ik vind het fijn dat ik bij dat proces aanwezig mag zijn en mag helpen om die rust te brengen. Dat geeft ook de familie een goed gevoel.’

‘Soms heb je ook jonge mensen in de bloei van hun leven, mensen met kinderen. Die vechten soms tot het einde. Maar ook daarin kunnen wij helpen, zodat ze het leven op een goede manier loslaten. Dat zijn groeiprocessen die de ene keer weken duren, maar ook wel eens uren. Ik ben echt trots op mijn baan. Het is fijn werk waarin ik ook nog steeds kan groeien. Het hospice is een prachtplek waar alleen maar gemotiveerde mensen werken. De zorg die je overal zou willen geven, met die kwaliteit en betrokkenheid. Hoe raar het ook klinkt: het is een enorm positieve flow.’

 

Waterijsje

Marleen Brocx – verpleegkundige

‘Het is nacht. Een uur of vier, vijf in de ochtend – het begint dan net een beetje licht te worden. Ik loop een rondje langs de gasten om te kijken hoe het met ze is. Een tachtigjarige man die eigenlijk alleen nog maar een beetje prettig op zijn rug kan liggen is nog wakker. Hij heeft geen kracht meer om iets zelf te doen, maar kan me nog wel duidelijk maken dan hij dorst heeft. Slikken gaat moeilijk, dus ik haal een waterijsje voor hem. Zittend naast hem houd ik het stokje voor hem vast. Dat kan hij zelf niet meer.  Ik  zie hem genieten en hij fluistert: ‘Wat is dit voor spul? Ik heb nog nooit zoiets heerlijks gegeten!’ Hoewel nachtdienst niet mijn favoriet is, kan ik dan nog huppelend uren door.’

‘Werken in het hospice voelde meteen heel goed. Je kan echt iets voor iemand betekenen. In het hospice heb je de gelegenheid om goede zorg en aandacht te bieden.  Ook al kom je met heel verdrietige dingen in aanraking hoeft het lang niet altijd naar te zijn. Je kunt er heel bijzondere momenten meemaken. Je hebt de tijd om gasten en familie te begeleiden. Voor degene die sterft is het soms moeilijk om los te laten, vaak zie je dat het voor de mensen om de gast heen nog moeilijker is. Voor hen heb je minstens zoveel tijd, zorg en aandacht. Gewoon bij iemand zijn in rust, luisteren. Grote gebaren zijn helemaal niet zo belangrijk.’

‘Voor mijn gevoel raak je hier de essentie van het leven. Je leert relativeren en het voelt als een verrijking om hier te kunnen werken. Je leert en je ziet zoveel. De dood hoeft zeker niet alleen maar naar te zijn. Veel mensen kijken met een goed gevoel terug op de periode dat hun naaste in het hospice lag. Wat mooi is om te zien is dat je rust kan bieden in het hospice. De omgang tussen gast en familie kan soms ook veranderen. Vaak is het voor opname, wanneer een gast van thuis komt, heel druk geweest. De partner is vaak helemaal in de verzorgingsrol gestapt en wordt daardoor opgeslokt. Wanneer een gast bij ons is, kan de partner weer gewoon partner zijn.’